De voorgaande nachten...

Sinds de laatste volle maan waren je dromen dramatisch veranderd. Soms was er een oude vrouw, gekleed in lange, rode gewaden die ook haar gezicht overdekten zodat je haar gezicht niet kon zien. Ze sprak in raadsels en mysteries, in vloeiende zinnen die stromen van woorden waren die uiteindelijk toch bleken te rijmen, met onderbrekingen voor mystieke incantaties in een taal die je niet begreep. Andere keren waren het dromen van evenementen die je gemaakt hebben wie je nu bent:

Je droomde over het moment dat je realiseerde dat de toets morgen was. In paniek rende je naar je leeskamer. Al gereed maar ongebruikt stond een torenhoge stapel van boeken. De boeken waarvan je de kennis de volgende ochtend om acht uur gememoriseerd en wel moest vertonen. Je zelfvertrouwen zakte je in de schoenen; er was simpelweg geen manier om dit nu nog allemaal te bestuderen. Hopeloos zat je in je leesstoel. Je staarde voor je uit totdat Het Idee, wat al sinds Intrōductiō Communicare Supermundanae in je achterhoofd vastzat, in je geweten opborrelde.

Je droomde over de eerste keer dat je een foutief antwoord op een toetsblad schreef sinds Het Idee. De uil, waarmee je de vorige week nog twee meisjes mee naar bed had gekregen, vloog plotseling langs het raam van de toetsruimte. Deze onderbreking haalde je uit je gedachtentrein omdat je dacht over hoe verassend intelligent die uil lijkt te zijn. Je schudde je hoofd en zette je neus weer op je toetsblad. Je spotte een denkfout in je beredenering over hoe vuurballen zich uit het niets manifesteren in de hand van een tovenaar. Toen je dat corrigeerde met de formule voor Ray of Frost, landde de uil luidrustig op de raamdorpel van het raam en zat het je boos aan te staren. Hiervan schrok je, kraste je snel je fout uit en verving je het met het goede antwoord. Later kreeg je een tien voor je tentamen, maar met een notitie over hoe slordig al het gekras was bij de vraag over Fireball.

Vannacht...

Vannacht is het weer volle maan. Deze keer is de droom intenser. Je ‘ziet’ feller, je ‘hoort’ alles scherper, en je ‘ruikt’ je omgeving. Je ‘proeft’ bijna de atmosfeer, je ‘voelt’ de kou van een kille nacht, en je bent er bijna van overtuigd dat dit echt is.

Zwevend in het niets zie je een boek met een slot. De runen op de kaft en rug zijn magisch, maar onleesbaar omdat ze elke seconde omspringen naar andere runen en formaties. Het boek valt op een stapel van andere boeken, dik, dun, magisch en doodnormaal. Er komen meer stapels boeken in beeld. Ze worden bedekt door een laag stof, en spinnen doen hun best om webben om de boeken heen te weven. De visie vliegt langzaam weg van de boeken. Eventueel verlaat je de boeken-gevulde kamer en slaat er hard een deur met de letters “verboden kennis” op slot dicht. Het beeld versnelt als het achterstevoren door de hallen vliegt van een complex kasteel, totdat het beeld ontsnapt en opstijgt, en je enkel maar de pieken van de hoogste torens opgeslokt ziet worden in een dikke mist.

Uit de mist komt weer de oude vrouw in de lange, rode gewaden. Ze doet eindelijk haar gezichtsbedekking af, en kijkt je nu dringend in de ogen. “Zoek de onschuldige, de marionet, het beest. Zij kunnen je helpen in de mist je lotsbestemming te bereiken. Je zult ze herkennen aan hun teken; de vlecht, het scharlaken, de wolvenpuppy. Ze zijn te vinden in de oude herberg van de lachende nar, ter het dolkenfort. Eenmaal samengekomen, volg de man met de veelkleurige mantel. Hij zal jullie leiden naar mij.”

Je wordt wakker...

Eenmaal wakker geworden staar je voor je uit, de droom te verwerken en te interpreteren. De droom blijft goed vastzitten in je geweten, en snel zul je dit niet vergeten. Terwijl je zit te piekeren voel je alsof de woorden van de oude vrouw zich materialiseren. Je zit op, maar terwijl je je beweegt merk je dat je iets laat vallen van je schoot. Je grijpt het voordat het van je lichaam afvalt en staart er goed naar: in je handen zit de kaart van De Ziener.

Een kaart van een kaartenspel die je niet herkent. Op de kaart staat een oude man met zijn ogen gesloten, maar op zijn kale kop een veeltal bovennatuurlijke ogen die wijd open in alle richtingen uit staren. De denotatie van de kaart is Kroon - Ziener.